CRvB 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7169

Intrekking en terugvordering bijstand: schending inlichtingenverplichting door geen melding te maken van de gezamelijke huishouding. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding. In het bijzonder wordt betekenis gehecht aan de verklaringen die appellante en K. hebben afgelegd ten overstaan van sociaal rechercheurs. In dit geval zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op het uitgangspunt dat er in het algemeen wordt uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring gerechtvaardigd is. Uit de in beroep ingediende medische stukken blijkt niet dat appellante en K. als gevolg van hun lichamelijke of psychische toestand niet naar waarheid hebben kunnen verklaren.Beiden hebben hun verklaringen zonder enig voorbehoud ondertekend en zij hebben niet binnen korte tijd nadat zij in vrijheid waren gesteld een klacht ingediend over de wijze waarop zij zijn bejegend. Uit de stukken blijkt niet van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het college waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Voorts blijkt uit het rapport van de sociale recherche dat is gevraagd om een nader onderzoek te verrichten omdat het huisbezoek niet voldoende gegevens had opgeleverd. Dit maakt het niet aannemelijk dat aan appellante zou zijn meegedeeld dat alles in orde was. In hetgeen door appellante is aangevoerd, wat er in de kern op neerkomt dat hier sprake is van “verboden vruchten” van een onrechtmatig huisbezoek, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat zich hier een dergelijke situatie voordoet.

De uitspraak op rechtspraak.nl