CRvB 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7044

1) De rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Er is niet beslist op de grondslag van het beroepschrift en het onderzoek ter zitting. 2) Eventuele ingangsdatum bijstandsuitkering. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich heeft gemeld bij het Uwv Werkbedrijf voor werk en inkomen en dat hij vervolgens van het Uwv Werkbedrijf het advies heeft gekregen eerst een uitkering op grond van de WW aan te vragen alvorens een aanvraag om bijstand te doen. Hieruit volgt dat het beleid met betrekking tot eerdere melding bij het Uwv Werkbedrijf, niet op de aanvraag van appellant van toepassing is. Hoewel appellant en zijn echtgenote zich eerst op 11 december 2009 bij de DWI hebben gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand, heeft het college de eventuele ingangsdatum van de bijstand bepaald op 3 december 2009, de datum waarop appellant heeft verzocht om een uitkering op grond van de WW. Appellant is hiermee niet tekort gedaan. Bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen zijn niet gesteld. 3) Schulden. Het feitelijk bestaan van schulden, uit overeenkomsten tot geldlening en afkoop militaire dienst in Turkije, is onvoldoende aannemelijk geworden. De beroepsgrond van appellant dat het college bij de vermogensvaststelling rekening had moeten houden met het verschuldigde griffierecht en de verschuldigde proceskosten in verband met een kantongerechtsprocedure, slaagt. 4) Interen oververmogen. 5) Maatregel. Door eerder af te lossen, heeft appellant het tijdstip waarop hij en zijn gezin in bijstandbehoevende omstandigheden zijn komen te verkeren vervroegd. Gelet hierop heeft appellant ernstig tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoond. Geen grond voor het oordeel bestaat dat het college van de afstemming had moeten afzien wegens het ontbreken van verwijtbaarheid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen