CRvB 25 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5446

Tussen partijen is in geschil of de omvang van benodigde hulp juist is vastgesteld, of hulp op het niveau van “huishoudelijke hulp plus” nodig is en of terecht een beroep is gedaan op gebruikelijke zorg. De Raad acht geen reden aanwezig om aan te nemen dat appellantes echtgenoot niet de gebruikelijke zorg zou kunnen bieden. Voorts ziet de Raad geen reden om aan te nemen dat appellante is aangewezen op zogenaamde “huishoudelijke hulp plus”, waarbij de hulpgevende de regie over de huishoudelijke werkzaamheden overneemt. Appellante of haar echtgenoot zijn immers zelf in staat om de hulpverlener (mondeling of door het achterlaten van een briefje) aan te sturen. De vermindering van de huishoudelijke hulp van 5 uur naar 3,45 uur vanwege het niet meer toewijzen van de verzorging van de broodmaaltijd ’s ochtends, is naar het oordeel van de Raad houdbaar gelet op de door het college ingenomen standpunt dat de echtgenoot van appellante werkzaam is als zelfstandige en in beginsel zelf over zijn tijd kan beschikken, waardoor hij bij het maken van afspraken rekening kan houden met deze gebruikelijke zorg. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het feitelijk op een onmogelijkheid stuit dat haar echtgenoot ’s ochtends de broodmaaltijd kan klaarzetten. Partijen verschillen voorts van mening over de hoogte van het pgb-tarief vanaf periode 5 van het jaar 2008. De Raad heeft in zijn uitspraak van 17 november 2009, LJN: BK5008, een oordeel gegeven over het uurtarief huishoudelijke verzorging. Daarin heeft de Raad overwogen dat gezien de in art. 6 van de Wmo bedoelde vergelijkingsmaatstaf van voorzieningen in natura en pgb’s het uurtarief waarvoor de gemeente huishoudelijke hulp in de zin van de Wmo heeft gecontracteerd het uitgangspunt is. Daartoe heeft de Raad overwogen dat onduidelijk is of voor een lager tarief zorg kan worden ingekocht die in termen van kwaliteitswaarborgen, arbeidsvoorwaarden, scholingsfaciliteiten, continuïteit en uren waarop de gecontracteerde zorg al dan niet moet worden geleverd, vergelijkbaar is met de door de gemeente gecontracteerde zorg. In zijn uitspraak van 19 november 2011, LJN: BU5492, heeft de Raad vastgesteld dat een uurtarief op basis van de CAO-lonen (inclusief vakantietoeslag en verlofuren) niet beantwoordt aan wat de Raad in zijn uitspraak van 17 november 2009 heeft overwogen. De Raad wijst er daarbij op dat het in de uitspraak van 19 november 2011 aan de orde zijnde pgb-tarief aanmerkelijk lager was dan het tarief waarvoor de gemeente zorg in natura had gecontracteerd en dat de belanghebbende in die zaak voor dat pgb-tarief geen vergelijkbare zorg had kunnen inkopen. De Raad vindt in de omstandigheden van het geval, dat betrekking heeft op besluiten van het college tot verlening van een pgb voor huishoudelijke hulp voor een periode die, voor zover in geschil, aanvangt op 5 april 2008, aanleiding voor de volgende precisering. Indien de huishoudelijke verzorging in de van belang zijnde periode blijkt te zijn verleend door een persoon, die ten tijde van die verlening niet werkzaam was voor een zorginstelling, kan in dat gegeven aanleiding worden gevonden om van een lager pgb-tarief uit te gaan dan het tarief waarvoor de gemeente in die periode de zorg in natura heeft gecontracteerd. Voor een dergelijk geval acht de Raad het, doch uitsluitend voor besluiten die genomen zijn voor de datum van inwerkingtreding van art. 21a van de Wmo op 1 september 2012, geoorloofd om voor het bepalen van de hoogte van het pgb-tarief een lager forfaitair bedrag tot uitgangspunt te nemen. Voor de bepaling van de hoogte van dat bedrag acht de Raad het, in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis van die bepaling en omdat andere objectieve gegevens voor een aanknopingspunt ontbreken, in de rede liggen dat wordt uitgegaan van het uurloon behorende bij functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Weliswaar is het laatste element afhankelijk van variabelen, maar in hoofdlijnen houdt deze berekeningswijze in dat het CAO-loon in deze functiegroep wordt verhoogd met 20%. Naar aanleiding van de loonbedragen in de CAO Thuiszorg geldend tot 1 maart 2010 houdt dat in dat het forfaitaire bedrag in de periode in geding op - afgerond - € 15,50 dient te worden gesteld. Nu het college in de periode na 5 april 2008 is uitgegaan van een lager pgb-tarief dan het hierboven bedoelde forfaitaire bedrag vloeit uit het vorenstaande voort dat de bestreden besluiten, voor zover aangevochten, niet in stand kunnen blijven. Tenslotte is de Raad van oordeel dat in deze procedure, met -voor zover nodig- verdragsconforme toepassing van art. 8:73 Awb, moet worden beslist over appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen