CRvB 10 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4981
Terugbetaling schuld. Opschorting aflossingsfase. De Minister hanteert een juiste uitleg van artikel 10a.11, tweede lid, van de Wsf 2000. Op het moment dat de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen en op eigen verzoek geen rekening wordt gehouden met het inkomen van een partner wordt de aflosfase opgeschort en gaat deze pas weer lopen op het moment dat de debiteur (weer) gaat aflossen. De Raad volgt appellante dan ook niet in haar standpunt dat met deze toepassing sprake is van verboden ongelijke behandeling van debiteuren met verschillende samenlevingsvormen. In zoverre is er evenmin strijd met het EVRM. De beroepsgrond van appellante dat de aflosfase op grond van burgerrechterlijke bepalingen niet langer mag duren dan 20 jaar slaagt ook niet. Zoals in de aangevallen uitspraak terecht is geoordeeld bevat de Wsf 2000 een eigen regeling voor de duur van de aflosfase. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellante kan aan het voorbeeld in de brochure niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat haar aflosfase per 31 december 2009 zou eindigen.
De uitspraak op rechtspraak.nl