CRvB 9 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4798

Aan appellant is op diens verzoek fpu-ontslag verleend. Op 18 november 2010 heeft appellant verzocht om toekenning van een stimuleringspremie ingevolge art. 20, lid 5 van het sfb. Dit verzoek is afgewezen. Raad: Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 april 2011, LJN: BQ3453 stelt de Raad vast dat de stimuleringspremie is bedoeld om medewerkers door middel van een financiële prikkel ertoe te bewegen ontslag te nemen teneinde de aanwezige boventalligheid binnen de belastingdienst te verminderen. De staatssecretaris mocht dan ook doorslaggevende betekenis toekennen aan het feit dat appellant bij het in werking treden van het sfb, op 25 juni 2010, reeds vrijwillig en op geheel andere gronden ontslag had genomen. Bevordering van zijn vertrek was daarom niet meer nodig en inwilliging van zijn verzoek zou in strijd komen met de strekking van de maatregel. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de staatssecretaris vanwege de eisen van goed werkgeverschap gehouden was appellant op het moment dat hij overwoog ontslag aan te vragen, te wijzen op de aanstaande invoering van fase 2 van het Sociaal Flankerend Beleid. Indien al ten tijde van de ontslagverlening aan appellant duidelijk was voor de staatssecretaris dat de functiegroep waartoe appellant behoorde in de nabije toekomst zou worden aangewezen voor toepassing van fase 2, dan nog kon van de staatssecretaris niet worden verwacht dat hij medewerkers zoals appellant, die uit eigen beweging om ontslag verzochten, zou adviseren daarmee nog even te wachten teneinde financieel van het sfb te kunnen profiteren. Evenmin kon van de staatssecretaris worden verwacht dat hij medewerkers als appellant in de gelegenheid zou stellen een reeds ingewilligd ontslagverzoek aan te passen. De Raad kan appellant verder niet volgen in zijn veronderstelling dat de staatssecretaris bewust zou hebben gewacht met het uitreiken van de brief van 15 juli 2010 tot na het verstrijken van de bezwaartermijn tegen het ontslagbesluit, om aan appellant de mogelijkheid te ontnemen zijn ontslagverzoek in te trekken en een nieuw ontslagverzoek in te dienen. Afgezien van het feit dat het achterhouden van de brief vermoedelijk een onschuldige reden had, zoals in 1.2 is aangeduid, wijst de Raad erop, dat ten tijde van de brief van 15 juli 2010 het ontslagbesluit van 31 mei 2010 reeds in rechte vaststond. (…) De Raad kan zich goed voorstellen dat het appellant een onaangenaam gevoel geeft dat hij door omstandigheden buiten zijn schuld niet in aanmerking komt voor een stimuleringspremie. Er zijn echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de staatssecretaris - het doel van de stimuleringspremie voor ogen houdend - anders had behoren te handelen dan hij heeft gedaan. Aangevallen uitspraak bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen