CRvB 11 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2171
Appellante heeft erkend naar de letter geen zeewerkgever te zijn als bedoeld in artikel 309 lid 2 WvK, maar gesteld dat zij daarmee wel gelijk gesteld kan worden (een schepeling die in dienst is van een zeewerkgever behoudt alleen zijn volle loon tijdens ziekte voor zolang hij aan boord is). Het enkele feit dat appellante onder meer deelneemt aan de aansprakelijkheids-verzekering en het bedrijfspensioenfonds van de koopvaardij kan er echter, gelet op de duidelijke tekst van voornoemde bepaling, niet toe leiden dat appellante als zeewerkgever als eerder bedoeld is aan te merken. De Raad wijst er vervolgens op, dat een beding als bedoeld in artikel 691 lid 2 BW, krachtens welke de overeenkomst van rechtswege eindigt indien de inlener niet langer van de diensten van de werknemer gebruik wenst te maken, niet in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, nog daargelaten of de artikelen 690 en 691 BW in dit geval wel van toepassing zijn. Wel bevat de overeenkomst de mogelijkheid van een tussentijdse beëindiging, maar niet is gebleken van enige handeling door of namens de werkgever gericht op het tussentijds doen eindigen van de arbeidsovereenkomst. Er bestond derhalve voor de werknemer recht op loon tijdens ziekte op grond van artikel 629 lid 1 BW jegens de werkgever. Het door appellante gedane beroep op HR 09-12-2011, LJN BR6384 wordt niet gevolgd. In deze uitspraak heeft de HR juist geoordeeld, dat onder de toepassing van artikel 3 ZW ook dient te worden begrepen een nageleefde overeenkomst (…) die voldoet aan de kenmerken bedoeld in artikel 7:610 BW. Waarom zulks in strijd zou zijn met de opvatting van het Uwv dat voor de werkgever en werknemer in verband met het bestaan van een arbeidsovereenkomst ook artikel 7:629 lid 1 BW van toepassing is, ontgaat de Raad.
De uitspraak op rechtspraak.nl