CRvB 18 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1762
Aan betrokkene is een uitkering toegekend betrekking hebbende op door de werkgever onbetaald gelaten bedragen aan onder meer stortingen in het zogenoemde Tijdspaarfonds over verschillende perioden tot en met 5 november 2010. In hoger beroep hebben partijen hun standpunten gehandhaafd die erop neer komen dat appellant de storting in het Tijdspaarfonds niet beschouwt als een betaling aan een derde en dat betrokkene wijst op de regeling van de CAO voor de Bouwnijverheid, die de werkgever tot stortingen in het Tijdspaarfonds verplicht. Het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of stortingen voor de vrij opneembare roostervrije dagen en compensatie voor kort verzuimdagen, die de werkgever van betrokkene heeft nagelaten te doen in het Tijdspaarfonds, zijn aan te merken als bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden is verschuldigd als bedoeld in art. 64, eerste lid, onder c, van de WW. Partijen zijn erover eens dat een bevestigende beantwoording van die vraag leidt tot een aanvullende aanspraak van betrokkene, naast hetgeen appellant reeds heeft toegekend, als toegewezen door de Rb. (vanaf de eerste loonbetalingsperiode van 2010 tot en met 15 augustus 2010) en dat een ontkennende beantwoording leidt tot de aanspraak die appellant heeft vastgesteld (over een periode van dertien weken plus de opzegtermijn). De Rb. heeft geoordeeld dat Cordares een derde is, zodat het gaat om bedragen die aan een derde zijn verschuldigd in de zin van art. 64, eerste lid, onder c, van de WW. Dat Cordares de betalingen reserveert op een rekeningnummer dat op naam van de werknemer staat en dat de werknemer over de op zijn rekening gereserveerde bedragen kan beschikken, doet daar volgens de Rb. niet aan af. Dit oordeel volgt de Raad niet. Het Tijdspaarfonds, waarin een werkgever de op grond van de CAO verschuldigde bedragen stort, is evenmin aan te merken als een derde. Het oordeel dat Cordares noch het Tijdspaarfonds is te beschouwen als een derde in de zin van art. 64, eerste lid, onder c, van de WW brengt mee dat appellant de over te nemen betalingsverplichting ter zake van de vergoeding voor vrij opneembare roostervrije dagen en compensatie van kort verzuimdagen terecht heeft berekend over een periode van 13 weken en de opzegtermijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl