CRvB 29 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX0435
Toekenning ZW-uitkering. Vaststelling dagloon. Nu appellant de bedongen arbeid niet heeft kunnen verrichten als gevolg van arbeidsongeschiktheid dient voor de vaststelling van het dagloon in de eerste plaats te worden gekeken naar het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan die arbeidsongeschiktheid voorafgaande en in het refertejaar gelegen aangiftetijdvak, waarin die situatie zich niet heeft voorgedaan. Zulk een aangiftetijdvak is niet aanwezig. Nu – naar tussen partijen niet in geschil is – evenmin een tijdvak aanwezig is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, dient de vaststelling van het dagloon te geschieden op een wijze als neergelegd in artikel 4, derde lid, van het Besluit. Bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon dient dan te worden uitgegaan van het voor het refertejaar geldende overeengekomen loon. Appellant verrichtte vanaf 22 juni 2007 werkzaamheden en ontving hiervoor loon. Appellant heeft niet gesteld dat dit door de werkgever betaalde loon niet het loon was dat hij met de werkgever overeengekomen was voor de door appellant verrichte werkzaamheden. Het Uwv is bij de vaststelling van het dagloon mitsdien terecht van dit loon uitgegaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl