CRvB 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9140
Afwijzing aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Het besluit dient te worden opgevat als een weigering van het college om de reeds geboden opvangvoorziening van € 375,-- per maand uit te breiden in de door verzoeker gewenste zin. Verzoeker is bekend met een HIV-1 infectie en dient zich strikt aan zijn medicatie te houden. Het kost verzoeker in toenemende mate grote moeite om zich aan dit voorschrift te houden, omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De GGD-arts heeft uit onderzoek de conclusie getrokken dat verzoeker niet ziek is en heeft bij een oriënterend lichamelijk onderzoek geen afwijkingen gevonden. De GGD-arts heeft vervolgens contact opgenomen met de behandelend internist in het AMC, waarbij is meegedeeld dat verzoeker stabiel is ingesteld op medicatie. De conclusie van de GGD-arts is dat er geen medische redenen zijn om ten behoeve van verzoeker een zogenaamde ziekenboegindicatie af te geven. Bij verzoeker is sprake van HIV-infectie die in de periode in geding met succes wordt behandeld. Nog daargelaten de vraag of - gelet op de mate van kwetsbaarheid van verzoeker - artikel 8 van het EVRM het college tot enige vorm van maatschappelijke opvang dwingt, acht de voorzieningenrechter, zo hiervan wel sprake zou zijn, het toegekende bedrag van € 375,-- in de gegeven omstandigheden als voorziening voor tijdelijke opvang in ieder geval toereikend. Bevestiging aangevallen uitspraak. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl