CRvB 1 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9125
Tussenuitspraak. Correctiebesluit. Boetebesluit. Minder loon in de loonadministratie verantwoord dan aan de hand van de gefactureerde uren aannemelijk is. Geen schending hoorverplichting. Wat betreft de tenaamstelling van het correctie- en het boetebesluit laat de Raad in het midden de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat in dit geval sprake is van een overgang van onderneming op appellante. Zo al zou moeten worden aangenomen dat ook in dit geval sprake is van een dergelijke overgang, heeft deze alleen, gelet op het samenstel van de artikelen 7:662 en 7:663 van het Burgerlijk Wetboek, betrekking op de rechten en verplichtingen die op het tijdstip van overgang voor de werkgever voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en de in die onderneming werkzame werknemer. Op deze rechtsfiguur kan derhalve, gelet ook op de uitspraak van de Raad van 4 december 2003 (LJN AN9802), niet mede worden gegrondvest het op basis van de CSV ten laste van appellante brengen van de in geding zijnde correctienota over het jaar 2003. Deze correctienota betreft de in dat jaar door [N.] geëxploiteerde eenmanszaak. Voor zover zou moeten worden aangenomen, dat in dit geval in de besluiten, gelet ook op de uitspraak van de Raad van 11 januari 2007 (LJN AZ7199), de tenaamstelling van het boete- en correctiebesluit mede moet worden geacht te zijn gegrond op het oordeel dat sprake is van een vereenzelviging van appellante met de voorheen bestaande eenmanszaak, overweegt de Raad dat daarvoor in het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbreekt. De Raad wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad van onder andere 13 oktober 2000 (LJN AA7480), waaruit, wat betreft het doorbreken van aansprakelijkheid voor vorderingen als de onderhavige in het burgerlijk recht, een terughoudende opstelling spreekt. De Raad vermag, zonder nadere toelichting welke ontbreekt, vooralsnog niet in te zien dat, waar het in de zaak waarop deze uitspraak van de Hoge Raad betrekking heeft, ging om belastingschulden, ten aanzien van de aansprakelijkheid voor premieschulden in het kader van de toepassing van de CVS daarover anders zou moeten worden geoordeeld. Onvoldoende draagkrachtige motivering. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in de besluiten te herstellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl