CRvB 13 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8950

Afwijzing verzoek om opvang ingevolge de Wmo en de aanvraag voor bijstand, op de grond dat appellanten niet rechtmatig in Nederland verblijven. Raad: De Raad ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of het college ten aanzien van een verzoek om maatschappelijke opvang in het kader van de Wmo bevoegd is om te beslissen op de aanvraag. De Raad is van oordeel dat o.g.v. het bepaalde bij en krachtens art. 20, lid 1 van de Wmo aan daartoe aangewezen gemeenten een zorgtaak is opgedragen om beleid te realiseren ter zake van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in art. 1, lid 1, onder c, van de Wmo. Uit de regelgeving blijkt dat de gemeente Noordoostpolder niet tot de daartoe aangewezen gemeenten behoort. De Raad heeft in r.o. 4.3.3 van zijn uitspraak van 15 april 2010, LJN: BM3583 geoordeeld dat de bevoegdheid om de zorgtaak uit te oefenen door middel van het nemen van besluiten over de toegang tot maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van een aangewezen gemeente berust. Naar het oordeel van de Raad moet art. 20, lid 1 en 4 van de Wmo, mede in het licht van de op art. 20, lid 1 van de Wmo gebaseerde nadere regelgeving, zo worden uitgelegd dat de aan het college van burgemeester en wethouders van de aangewezen gemeenten toekomende bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo een exclusieve bevoegdheid is in die zin dat deze bevoegdheid niet toekomt aan het college van burgemeester en wethouders van een niet aangewezen gemeente. De Raad vindt voor dat oordeel steun in het volgende. Allereerst moet worden vastgesteld dat de centrumgemeenten aan wie op basis van art. 20, lid 1 van de Wmo een zorgtaak is toebedeeld, voor de uitvoering van die taak een specifieke uitkering, als bedoeld in die bepaling, ontvangen. Deze specifieke uitkering dient te worden gebruikt voor de bekostiging van voorzieningen op het terrein van onder meer maatschappelijke opvang die door instellingen wordt geboden. Voorts volgt uit art. 20, lid 4 van de Wmo dat de centrumgemeenten die deze specifieke uitkering ontvangen, ervoor zorgdragen dat de instellingen die op grond van die uitkering middelen ontvangen, hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan een door de minister aangewezen instelling. In de MvT bij de Wmo (Tweede Kamer, 2004-2005, 30131, nr. 3) staat met betrekking tot art. 20, lid 4 van de Wmo te lezen dat inzicht in gemeentelijk beleid op rijksniveau nodig is om te kunnen beoordelen of het met de uitkeringen beoogde doel - het voeren van een samenhangend en integraal beleid op de terreinen maatschappelijke opvang (inclusief vrouwenopvang) en verslavingsbeleid - ook daadwerkelijk wordt bereikt. Daartoe is volgens de regering van belang dat alleen centrumgemeenten beleid realiseren ten aanzien van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in art. 1, lid 1, onder c, van de Wmo. Op die manier kan worden beoordeeld of sprake is van een evenwichtig patroon van voorzieningen gericht op alle doelgroepen van het beleid. Uit de nota naar aanleiding van het verslag van 11 oktober 2005 (Tweede Kamer, 2005-2006, 30 131, nr. 29) leidt de Raad af dat de wetgever bewust heeft gekozen voor concentratie van de voorziening van maatschappelijke opvang bij de centrumgemeenten om handhaving van de crisisopvangfunctie te kunnen waarborgen. In deze nota wordt het volgende overwogen: “De middelen voor de beleidsterreinen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid blijven naar centrumgemeenten gaan. Op deze manier is er een betere waarborg voor het handhaven van de crisisopvangfunctie bij dak- en thuisloosheid en bij geweld in de thuissituatie. Indertijd bestond bij de Tweede Kamer de vrees dat een verdeling van middelen via het gemeentefonds zou leiden tot een afbraak van het bestaande voorzieningenniveau op deze drie terreinen. De voorkeur ging uit naar een systeem waarin de middelen gericht toegedeeld worden aan de gemeente waar de voorzieningen geconcentreerd zijn. De afgelopen jaren is het bestuurlijk stelsel van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid voorwerp geweest van onderzoek. Dat heeft geen aanleiding gegeven dat stelsel aan te passen.“ Nu uit het voorgaande volgt dat de gemeente Noordoostpolder geen zorgtaak heeft voor activiteiten op het gebied van de maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo, is het college onbevoegd om op de aanvraag van 11 oktober 2010 om maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo te beslissen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college dat ook erkend. Dit betekent dat het besluit op bezwaar, inhoudende de handhaving van de afwijzing van de aanvraag van maatschappelijke opvang bij primair besluit van 28 oktober 2010, wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. De Rb. heeft dat niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 28 oktober 2010, voor zover dit betrekking heeft op de aanvraag van maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo, te herroepen en te bepalen dat het college niet bevoegd is om op die aanvraag een besluit te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen