CRvB 7 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8361

Appellant heeft als gevolg van de buitenfunctiestelling in de periode van 15 juli 2008 tot 1 maart 2009 geen werkzaamheden verricht. Appellant heeft de korpsbeheerder verzocht het teveel aan verlofuren over 2008 niet, zoals was aangekondigd, af te boeken. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij als gevolg van zijn buitenfunctiestelling in 2008 geen verlofuren heeft kunnen opnemen. De korpsbeheerder heeft onder toepassing van art. 19, vierde lid, Barp bepaald dat appellant over de maanden september tot en met december 2008 geen aanspraak heeft op vakantie. De korpsbeheerder heeft daarom 55,2 uren in mindering gebracht op de verlofeindstand van appellant over 2008. Tevens is bepaald dat appellant 121,4 verlofuren mag meenemen van 2008 naar 2009. De Raad is van oordeel dat - zo het toepassingsbereik van art. 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 zich al uitstrekt tot een zaak als de onderhavige, waarbij de mogelijkheid van samenloop van buitenfunctiestelling en vakantieverlof ter discussie staat - niet kan worden staande gehouden dat appellant niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht gebruik te maken. Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat hem tijdens zijn buitenfunctiestelling geen beperkingen zijn opgelegd om van het hem door Richtlijn 2003/88 verleende recht gebruik te maken. Ter zitting van de Raad is namens appellant ook bevestigd dat er voor hem hangende de buitenfunctiestelling - behoudens een meldingsplicht - geen belemmeringen bestonden om vakantie op te nemen. Toegelicht is dat appellant in deze periode feitelijk ook gebruik heeft gemaakt van recht op vakantie, zij het maar “even [en] niet vier weken.” De Raad stelt vast dat uit het besluit tot buitenfunctiestelling evenmin blijkt van enigerlei beperking om van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gebruik te maken. Onder al deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het bestreden besluit in strijd is met art. 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest Schultz-Hoff e.a. Aangevallen uitspraak bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen