CRvB 6 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7703

Afwijzing verzoek om de geïndiceerde zorg te realiseren omdat appellant illegaal in Nederland verblijft en daarom niet AWBZ-gerechtigd is. Procesbelang. Het hoger beroep van appellant is ontvankelijk. Appellant behoort op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 5 van de AWBZ niet tot de kring van verzekerden ingevolge de AWBZ, omdat op hem het in artikel 5, tweede lid, van de AWBZ neergelegde koppelingsbeginsel van toepassing is. Dit betekent dat hij aan de AWBZ geen recht kan ontlenen op de in die wet verzekerde prestaties. Toetsing aan artikel 8 EVRM. De Staat heeft er uitdrukkelijk voorgekozen om ter invulling van de verplichtingen die onder meer voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM het vergoedingsstelsel van artikel 122a van de Zvw te introduceren. Niet gebleken is dat dit systeem in zijn algemeenheid de toegankelijkheid van medisch noodzakelijke zorg aan de hier bedoelde doelgroep niet faciliteert. Uit het rapport van Berenschot ”Evaluatie van de bijdrageregeling van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet” van 7 november 2011 blijkt dat CVZ in april 2011 met 27 AWBZ-instellingen en 40 GGZ-instellingen had gecontracteerd, en dat de Inspectie voor de volksgezondheid nauwelijks tot geen signalen had ontvangen dat de toegankelijkheid van de zorg in het geding is. Deze door de Staat gemaakte keuze valt binnen de ruime “margin of appreciation” die de Staat toekomt waar het gaat om de besteding van publieke middelen. Hieruit vloeit voort dat niet kan worden geoordeeld dat door de weigering van het zorgkantoor om voor appellant de geïndiceerde zorg te realiseren, de normale ontwikkeling van zijn privéleven onmogelijk wordt gemaakt. Van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM is dan ook geen sprake. Appellant kan zich rechtstreeks wenden tot een zorgverlenende instelling, zoals dat in dit geval overigens ook heeft plaatsgevonden en tot een behandelaanbod heeft geleid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen