CRvB 6 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7702
Afwijzing aanvraag voor hulp in de vorm van toelating tot de maatschappelijke opvang. Appellant, met Somalische nationaliteit, is vanwege zijn verblijfsstatus niet verzekerd ingevolge de AWBZ en hij kan ook niet op grond van artikel 8 van het EVRM een aanspraak ontlenen op zorg ingevolge de AWBZ. De beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, kan in stand blijven. Nu door CIZ zorg met verblijf is geïndiceerd en appellant deze zorg feitelijk kan verkrijgen is er geen sprake van een noodzaak tot maatschappelijke opvang. Appellant kan zijn opvang immers zelf bewerkstellingen door gebruik te maken van de door Dimence aangeboden, op de problematiek van appellant toegesneden voorziening. De Raad zijn geen omstandigheden gebleken op grond waarvan dit van appellant niet gevergd kan worden. Voor zover betalingsonmacht een belemmering zou vormen, voorziet artikel 122a van de Zorgverzekeringswet in de mogelijkheid van een nagenoeg volledige vergoeding van de kosten van door een zorgaanbieder aan een niet rechtmatig verblijvende vreemdeling geboden medisch noodzakelijke zorg door het College voor zorgverzekeringen. Indien appellant van mening is dat volstaan kan worden met ambulante begeleiding dient hij een daartoe strekkende indicatie van CIZ aan te vragen. Zolang het indicatiebesluit van 7 april 2011 niet is ingetrokken of vernietigd, vormt deze het uitgangspunt bij de beoordeling. De rechtbank heeft, zij het op een onjuiste grond, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl