CRvB 30 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6932

Weigering ZW-uitkering. Het is vaste rechtspraak (zie o.m. CRvB 29-09-2010, LJN BN8717) dat bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken in de zin van artikel 19 ZW, de maatstaf arbeid is de laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid feitelijk verrichte arbeid. Volgens vaste rechtspraak lijdt deze regel uitzondering in het geval een verzekerde, na gedurende de maximum termijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat. Dan geldt als maatstaf de gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de Wet WIA, hetgeen betekent dat elk van de functies die in het kader van de Wet WIA voor de betrokken verzekerde geschikt zijn geacht, onder "zijn" arbeid in de zin van artikel 19 ZW wordt verstaan. Is betrokkene daarentegen bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geschikt geacht voor de maatgevende arbeid dan geldt bij een ziekmelding, waaraan niet enige werkhervatting is voorafgegaan, dit werk als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 ZW. Heeft betrokkene na een afschatting - op basis van geschiktheid voor de maatgevende arbeid dan wel voor geselecteerde functies - in enig werk hervat dan geldt in beginsel de hoofdregel dat dit laatst verrichte werk als maatstaf arbeid geldt, behoudens uitzonderingen zoals bijvoorbeeld in het geval betrokkene heeft hervat in werk dat ongeschikt voor hem is. Hieruit volgt dat het Uwv ten onrechte de aan appellant in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functie van inpakker als maatstaf voor de arbeid heeft gehanteerd. Vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen