CRvB 4 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5306
Weigering WW-uitkering, omdat betrokkene als dga niet verzekerd is op grond van deze wet. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag op welke wijze het bepaalde in art. 2, lid 1, aanhef en onder d, van de Regeling dient te worden begrepen en toegepast. Met name is aan de orde het antwoord op de vraag of dit artikelonderdeel ziet op de situatie als in geding, waarin de bestuurder tezamen met de in dat artikelonderdeel bedoelde bloed- of aanverwanten ten minste twee derde deel van de aandelen houdt of dat dit artikel slechts ziet op de situatie dat tenminste twee derde van de aandelen worden gehouden door de bloed- of aanverwanten van de bestuurder, waarbij het bezit van aandelen door de bestuurder niet van belang is. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene tezamen met zijn bloed- of aanverwanten bedoeld in art. 2, lid 1, aanhef en onder d, van de Regeling meer dan tweederde van de aandelen hield. Evenmin is in geschil dat de bloed- of aanverwanten van betrokkene niet tenminste tweederde van de aandelen hielden. Nu toepassing is gegeven aan art. 6, lid 4 WW, moet de in art. 2 van de Regeling neergelegde opsomming gezien worden als uitputtend. In art. 2, lid 1, aanhef en onder d, van de Regeling is bepaald dat ook de bestuurder van de vennootschap waarvan tenminste tweederde deel van de aandelen wordt gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad als directeur-grootaandeelhouder wordt aangemerkt. Dit artikelonderdeel bepaalt naar zijn bewoordingen uitsluitend dat onder directeur-grootaandeelhouder, als bedoeld, moet worden verstaan, de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. In het bijzonder blijkt uit deze bepaling niet dat de regelgever bij het redigeren van deze bepaling ook het oog heeft gehad op een bestuurder die tezamen met zijn bloed- of aanverwanten tenminste tweederde deel van de aandelen houdt. Volgens de toelichting bij de Regeling wordt met de Regeling zoveel mogelijk aangesloten bij de richtlijnen van de FBV. Hieruit leidt appellant af dat de regelgever wel het oog heeft gehad op laatst bedoelde situatie. Wat van die stelling zij, gezien de duidelijke bewoordingen van de bedoelde bepaling, kan daaraan op grond van de toelichting bij de Regeling geen andere betekenis worden verleend. Aangevallen uitspraak bevestigd. Nu tegen deze uitspraak cassatie mogelijk is, is voor het toepassen van een zogenoemde bestuurlijke lus ter finale beslechting van het geschil geen plaats.
De uitspraak op rechtspraak.nl