CRvB 20 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4709
Toekenning WGA-uitkering van 11 juli 2008 tot 11 maart 2010. Vaststelling dagloon aan de hand van de verdiensten van appellant bij drie verschillende werkgevers in het refertejaar. Verlenging WGA-uitkering tot 11 februari 2011. Raad: Het Uwv heeft met toepassing van art. 13 Wet WIA het dagloon op de juiste wijze vastgesteld. De Raad ziet steun voor het standpunt van het Uwv in art. 43 van de Wet WIA dat uitsluitingsgronden bevat voor de toepassing van deze wet. Op grond van hetgeen is bepaald in de aanhef en onder a, ten eerste, van dit artikel is het recht hebben op IVA- dan wel WGA-uitkering een uitsluitingsgrond. Doordat appellant 104 weken na zijn uitval op 21 mei 2007 al recht had op WGA-uitkering, is het ontstaan van een nieuw recht op WGA-uitkering uitgesloten. Appellant kan derhalve ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat een tweede refertejaar aan de orde is ten gevolge van zijn uitval op 21 mei 2007. In de Nota van Toelichting bij het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen Stb. 2005, 546 is vermeld: “Het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de Wet WIA en de WAO is gericht op de algemene ongeschiktheid voor werk. Bij de berekening van het WIA- en WAO-dagloon wordt daarom het loon uit alle dienstbetrekkingen in het refertejaar in aanmerking genomen. Dit onderscheid tussen de dagloonvaststelling voor de ZW en WW enerzijds en voor de Wet WIA en de WAO anderzijds is van belang als de werknemer vóór het intreden van het verzekerde risico tegelijkertijd in meerdere dienstbetrekkingen stond, en het verzekerde risico in één daarvan optreedt. Gaat het om werkloosheid dan wordt gerekend met het loon uit de verloren gegane arbeidsverhouding. Gaat het om arbeidsongeschiktheid die in één van die dienstbetrekkingen optreedt dan zal bij een latere WIA-uitkering het dagloon worden gebaseerd op het loon uit alle tegelijkertijd uitgeoefende dienstbetrekkingen.” Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op art. 62, lid 3 van de Wet WIA. De Raad stelt vast dat deze (garantie)bepaling uitdrukkelijk ziet op de situatie waarin recht ontstaat op een vervolguitkering. Deze geldt dus niet in de situatie van appellant die gedurende de periode van 104 weken ziekte bij zijn derde werkgever juist recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering. Voor analoge toepassing van deze bepaling in een situatie als die van appellant, waarin het loon uit de dienstbetrekking waarin de latere uitval plaats vond tussentijds is toegenomen, ziet de Raad geen ruimte gezien het duidelijke stelsel dat in de hier weergegeven regelgeving is neergelegd. De Raad komt, gelet op het wettelijke systeem, tot de conclusie dat in de onderhavige situatie slechts één recht op loongerelateerde WGA-uitkering en één refertejaar (en daarmee één dagloon) geldt.
De uitspraak op rechtspraak.nl