CRvB 3 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0624
Terugvordering voorschot. Bij zijn uitspraak van 11 maart 2003, LJN AF6328, heeft de Raad geoordeeld dat op grond van artikel 80 van de Abw alleen die voorschotten kunnen worden teruggevorderd die zijn verstrekt gedurende de in artikel 68 van de Abw neergelegde beslistermijn. Volgens deze uitspraak was het wel mogelijk om buiten die termijn verstrekte voorschotten terug te vorderen op grond van artikel 81, tweede lid, van Abw. Anders dan in artikel 74 van de Abw is in artikel 52 van de WWB niet tot uitdrukking gebracht dat de voorschotverlening is gekoppeld aan de termijn waarbinnen op de aanvraag om bijstand moet worden beslist. De in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB opgenomen bevoegdheidsgrondslag voor terugvordering van voorschotten is dan ook niet beperkt tot voorschotten die zijn verleend gedurende de redelijke beslistermijn van acht weken van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb, maar is ook van toepassing op na die termijn verleende voorschotten. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB, 4 mei 2009, LJN BI4341), vormt artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB dus de formele bevoegdheidsgrondslag voor de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand die bij wijze van voorschot in de vorm van een geldlening is verleend. Dit betekent dat het door het college gevoerde beleid, voor zover daarbij is bepaald dat buiten de afhandelingstermijn verstrekte voorschotten worden teruggevorderd op basis van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, in strijd is met de wet. Het college was bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB het voorschot terug te vorderen van appellanten.
De uitspraak op rechtspraak.nl