CRvB 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333
Intrekking bijstand. Geen sprake van een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van appellanten. Indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, en op basis daarvan twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van de verleende uitkering, is het College gerechtigd een gericht onderzoek te doen en in dat kader zo nodig over een verder in het verleden liggende periode bankafschriften of transactieoverzichten te verlangen. Nu een inschrijving bij de Kamer van Koophandel een indicatie is dat op geld waardeerbare werkzaamheden worden verricht, had het College een gegronde reden voor het instellen van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand en bijgevolg ook voor het opvragen van bankafschriften. Het College was bevoegd de bijstand van appellanten in te trekken. Geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl