CRvB 14 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8221
Intrekking toeslag voor één-oudergezin. Sinds huwelijk voldoet appellante niet meer aan de toekenningsvoorwaarden. Begrip ‘duurzaam gescheiden leven’. Weliswaar bestond er voor appellante en haar echtgenoot, gelet op diens ongewenstverklaring in 2008, geen mogelijkheid (meer) om in Nederland samen te leven, maar dat betekent niet dat de samenwoning niet elders had kunnen worden aangevangen of voortgezet. In zoverre dient de verbreking van de samenwoning te worden beschouwd als eigen keuze, en kan dus niet worden gesproken van een door geen van beide echtelieden gewilde toestand die de echtelijke samenwoning daadwerkelijk belette. Geen recht op een toeslag voor een één-oudergezin. De stelling van appellante dat zij erop mocht vertrouwen dat zij aan de voorwaarden voor toekenning van de toeslag voor een één-oudergezin voldeed, althans dat zij niet redelijkerwijs kon weten dat zij op de toeslag geen recht had, en dat de Minister de toekenning om deze reden niet mocht herzien, slaagt. Uit de aan appellante persoonlijk gerichte brief van 12 september 2006 heeft zij mogen afleiden dat zij aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van de aangevraagde toeslag voldeed, nu zij – terwijl zij ook voldeed aan de andere vermelde voorwaarden – op het moment dat zij haar aanvraag indiende niet met haar echtgenoot een huishouding voerde. Dat de door de Minister verstrekte informatie onjuist is (omdat het niet gezamenlijk voeren van een huishouding geen wettelijke voorwaarde voor toekenning van de toeslag is), hetgeen appellante volgens de Minister zou hebben kunnen blijken uit andere informatiebronnen, brengt daarin geen verandering. Anders dan de Minister is de Raad van oordeel dat de brief appellante geen aanleiding behoefde te geven nadere informatie in te winnen.
De uitspraak op rechtspraak.nl