CRvB 16 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5549

Tussenuitspraak. De korpsbeheerder heeft het ontslag van appellante toegespitst op het hebben van een affectieve relatie met een persoon met een criminele achtergrond. Onderschreven wordt het standpunt dat deze relatie op zich onverenigbaar is met een aanstelling bij een politiekorps vanwege het grote belang van integriteit voor het korps en vanwege de ernstige risico’s die een dergelijke relatie voor het korps meebrengt. Dit levert echter op zich nog geen arbeidsrechtelijke dringende reden op in de zin van de WW. Het gegeven dat de korpschef pas na het bekend worden van de relatie op 9 september 2008 met de brief van 30 september 2008 actie heeft ondernomen richting appellante wijst niet op een wens van de werkgever om tot een onverwijlde beëindiging van de aanstelling te komen. Ook de handelingen die de werkgever vervolgens heeft verricht, duiden er niet op dat deze van mening was dat het dienstverband onverwijld diende te eindigen. In dat verband is voorts nog van belang dat de werkgever, anders dan het Uwv stelt, niet het niet melden van de affectieve relatie aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, maar slechts het bestaan daarvan. Ter zitting is door het Uwv erkend dat het hebben van een affectieve relatie een werknemer niet kan worden verweten. Aan het ontslag ligt geen dringende reden ten grondslag. Het Uwv dient een nader besluit te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen