CRvB 9 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3829

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Oplegging boete. Schending inlichtingen verplichting. Detentie. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien niet is gebleken. De omstandigheid dat de toenmalige vriendin van appellant, ondanks haar toezegging, niet aan het Uwv heeft gemeld dat appellant in detentie was, ziet op het ontstaan van de terugvordering en niet op de gevolgen daarvan. Het niet melden van een detentie levert een ernstige overtreding van de inlichtingenverplichting op, aangezien met de detentie het recht op WW-uitkering onmiddellijk eindigde. Gelet op alle in artikel 27a, tweede lid, van de WW, genoemde bestanddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, is een aan appellant op te leggen boete van € 52,- evenredig. In het voorgaande ligt tevens besloten dat van dringende redenen als bedoeld in artikel 27a, vierde lid (oud), van de WW geen sprake is. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij een boete van € 370,- is opgelegd en in zoverre zelf in de zaak voorzien. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand.

De uitspraak op rechtspraak.nl