CRvB 16 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU2126

De Staatssecretaris heeft terecht bij de vaststelling van de ten laste van appellant gebleven kosten op grond van art. 54, lid 1, Bbz 2004 een bedrag van € 61.464,-- (betrekking hebbend op financiële fouten en onzekerheden) met toepassing van artikel 55, lid 1, buiten aanmerking gelaten en, gelet op art. 48, lid 1, € 46.098,-- (75% van € 61.464,--) in verband met verleende voorschotten van appellant teruggevorderd. De jaarlijkse beoordeling van de gemeentelijke financiële verantwoordingen over een vergoedingsjaar en de daarbij gehanteerde kasstelselsystematiek, inhoudend dat de rechtmatigheid van de bestedingen in het jaar van betaling moet worden aangetoond, vereisen dat de Staatssecretaris tijdig beschikt over alle relevante gegevens. Indien een college van opvatting is dat het zich ten aanzien van de door de accountant vastgestelde tekortkomingen voldoende heeft ingespannen om die op te heffen, ligt het op de weg van het college om dit aannemelijk te maken. Het is niet kennelijk onredelijk om van het college te vergen dat hij daartoe als onderdeel van de bijlage bij de jaarrekening, althans uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar, een gemotiveerd verzoek als bedoeld in art. 3, lid 1, Beleidsregels indient. Appellant heeft geen verzoek ingediend, omdat hij er ten onrechte vanuit is gegaan dat hij binnen de gehanteerde foutmarges was gebleven en geen terugvordering zou volgen. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel. Geen sprake van disproportionaliteit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen