CRvB 4 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5385

Afwijzing aanvraag voor toelating tot de maatschappelijke opvang berust op goede gronden. Appellanten konden ingevolge art. 11, lid 1, Vw 2000 en art. 11, lid 2, aanhef en onder b, Vw 2000 geen aanspraak maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo in de gemeente Amsterdam. Beroep op art. 8 EVRM faalt. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat art. 8 EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. Niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellanten om wel toegelaten te worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen