CRvB 5 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4248

Export van uitkeringen. Weigering kinderbijslag ten behoeve van in Ghana wonend kind. De Staat heeft met de voorwaarde zoals neergelegd in artikel 7b van de AKW, inhoudende dat voor een in het buitenland wonend kind slechts dan kinderbijslag wordt toegekend indien dit kind woont in een land waarmee een handhavingsverdrag is gesloten, geen ontoelaatbaar onderscheid naar woonplaats gemaakt, getoetst aan artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het EP. Beleid inzake export uitkeringen naar land waarmee nog geen verdrag is gesloten, is op consistente wijze toegepast. Gezien de ruime ‘margin of appreciation’ kan niet gesteld worden dat de Nederlandse Staat gehouden was en is alsnog het sluiten van een verdrag met een aantal landen te bevorderen, dan wel te handelen alsof er wel een verdrag is gesloten. In het licht van de doelstelling van de Wet BEU is hierbij niet van doorslaggevend belang dat slechts een relatief gering aantal (potentieel) gerechtigden getroffen wordt door de effecten van de Wet BEU. Geen rechtsplicht voor de Staat om, ongeacht de concrete omstandigheden van het geval, er zorg voor te dragen dat kinderbijslag op grond van een verdrag of een andere passende regeling geëxporteerd kan worden. Geen sprake van schending van het eigendomsrecht (ex art. 1 EP).Beroep op arrest EHRM in de zaak Asmundsson slaagt niet. Het invoeren van de Wet BEU is niet gericht op bezuinigingen, maar op de controle van de rechtmatigheid van uitkeringen. Van de afwenteling door de Staat van een last op een beperkt aantal getroffenen is dan ook in het geheel geen sprake. Overschrijding redelijke termijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen