CRvB 3 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4120

Tussenuitspraak. De rechtbank en het Uwv hebben ten onrechte geconcludeerd dat appellant in de periode van 21 juni 2001 tot en met 13 december 2004 gedurende 70 uur per week als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht en dat het recht op WW-uitkering is geëindigd, zodat appellant ook niet verzekerd was voor de ZW en Wet REA. De Raad ziet onvoldoende feitelijke grondslag om de vraag te kunnen beantwoorden of en zo ja, wanneer, appellant na 21 juni 2001 uitbreiding heeft gegeven aan zijn werkzaamheden als zelfstandige, eventueel in een geringere omvang dan waarvan het Uwv tot op heden van uit is gegaan en welke gevolgen dit zou hebben voor het recht op een uitkering volgens de WW, ZW en de Wet REA en voor de hoogte van de terugvordering en een eventueel op te leggen boete. Gelet daarop kan de Raad het geschil niet definitief beslechten. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de feiten met betrekking tot de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden in de periode in geding op een zorgvuldige wijze vast te stellen en het bestreden besluit met die feiten in overeenstemming te brengen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen