CRvB 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3150

Verlenging tijdelijke verplaatsing. Met de rechtbank acht de Raad aannemelijk dat van een ernstige verstoring van de arbeidsverhouding moest worden gesproken en dat deze zich ook niet tot één of twee leidinggevenden beperkte. Er was sprake van een situatie waarvan de korpsbeheerder redelijkerwijs kon menen dat deze in het dienstbelang niet mocht voortduren en slechts door middel van een tijdelijke verplaatsing van appellant tot een oplossing kon worden gebracht. Er bestond dan ook voldoende grond voor ontheffing uit de oude functie. Dat appellant (aanvankelijk) niet is belast met werkzaamheden op zijn eigen niveau van senior politiemedewerker, maar met werkzaamheden van een allround politiemedewerker die één schaal lager zijn gewaardeerd, kan de Raad evenmin als onaanvaardbaar aanmerken. Wat betreft de verlenging van de duur van de verplaatsing, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de situatie nog niet zodanig was verbeterd dat terugkeer naar de unit van de DVP reeds aan de orde was. Daarvoor was het “oud zeer” bij appellant nog te nadrukkelijk aanwezig. Zijn goede functioneren bij de DSP doet daaraan niet af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen