CRvB 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3295
Uitspraak I: Dringende redenen kunnen slechts een rol spelen bij de initiële vaststelling van de omvang van het bedrag van de terugvordering en laat zich niet lenen voor een zelfstandige toepassing op een later moment. Dit betekent dat het College in het beroep van appellante op dringende redenen geen aanleiding hoefde te zien voor inwilliging van haar verzoek om kwijtschelding van het nog openstaande terugvorderingsbedrag. Uitspraak II: Naar het oordeel van de Raad heeft het College op inzichtelijke wijze uiteengezet hoe het aflossingsbedrag tot stand is gekomen. Appellant heeft haar standpunt dat dit aflossingsbedrag niet kan worden aanvaard in algemene bewoordingen bestreden. Zij heeft niet aan de hand van objectieve gegevens over haar financiële positie aangetoond dat het door het College berekende bedrag onjuist is. Uitspraak III: Wat betreft de hoogte van het door het College vastgestelde aflossingsbedrag per april 2009 overweegt de Raad dat appellante haar standpunt dat zij niet in staat is tot maandelijkse betaling van het door het College vastgestelde bedrag, niet heeft voorzien van een objectieve, cijfermatige onderbouwing.
De uitspraak op rechtspraak.nl