CRvB 6 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1087

Terugvordering WWIK-uitkering.Afwijzing verzoek om herziening van het besluit tot e terugvordering. De Raad is van oordeel dat, wat er ook zij van de stelling van appellant over de melding aan de Dienst Wonen, er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ook al zou de DWI van het besluit van de Dienst Wonen over de huisbewaring en van het verblijf van appellant in het buitenland op de hoogte zijn geweest, dan betekent dat niet dat appellant van zijn verplichtingen in het kader van de WWIK was ontheven en dat hij zich een jaar lang onbereikbaar kon houden. De Raad stelt vast dat appellant bij zijn verzoek van 6 augustus 2009 het College heeft verzocht terug te komen van het onder 1.1 bedoelde besluit van 10 september 2008. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan - buiten de bezwaartermijn - verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Dat appellant, na het nemen van het besluit en na het verstrijken van de bezwaartermijn, alsnog het gevraagde inlichtingenformulier met bewijsstukken heeft ingediend en hieruit volgens hem blijkt dat hij recht heeft op de uitkering, is, anders dan appellant stelt, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb. Appellant had deze gegevens immers eerder kunnen en moeten indienen. Het College was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen. Niet kan worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen