CRvB 24 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0084
1) Beoordeling. Niet gebleken van een zodanige wijziging van de inhoud van de functie dat een beoordeling om die reden niet over de gehele periode kon plaatsvinden. De motiveringen bij de onderdelen ‘kennis’ en ‘werk van anderen organiseren’ is toereikend, zeker gelet op het feit dat de scores en motiveringen niet (geheel) negatief zijn maar inhouden dat een verdere ontwikkeling nodig is. Het GO-lidmaatschap en het naleven van regels, hebben de beoordeling niet beïnvloed. 2) Ontzegging van de toegang tot de dienst en verwijdering uit het gemeentehuis. Het besluit van 16 april 2008 moet worden gezien als een herhaald besluit waartegen geen bezwaar openstond. In het besluit van 3 juli 2009 heeft het college het bezwaar daarom ten onrechte ongegrond verklaard. De rechtbank had het beroep gegrond moeten verklaren, omdat het college het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2008 wordt niet-ontvankelijk verklaard. 3) Ontslag op andere gronden. Geen situatie, op grond waarvan gesproken moest worden van een onwerkbare situatie. Dat het college niet direct een reële verbetering verwachtte, ontsloeg hem niet van zijn verplichting om naar betrokkene toe met zorgvuldigheid te werk te gaan. Het college heeft in overwegende mate bijgedragen tot het ontstaan van de impasse. De Raad ziet aanleiding met betrekking tot de aan het ontslag te verbinden uitkering met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat het college aan betrokkene naast de getroffen financiële regeling een eenmalig bedrag van € 50.000,- toekent. Tevens dient het college aan appellant de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de ontslagdatum uit te betalen.
De uitspraak op rechtspraak.nl