CRvB 15 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7519
Korting op en terugvorderig WAO-uitkering. Het hoger beroep richt zich niet tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 mei 2008 niet-ontvankelijk heeft verklaard. In geschil is of artikel 44 van de WAO op juiste wijze is toegepast. Daarbij is de vraag aan de orde of de door het Uwv gehanteerde berekeningswijze in rechte stand kan houden. Na een heroverweging op het bezwaar van appellant tegen die wijze van korten, heeft het Uwv besloten om af te wijken van de methode om de per maand feitelijk door appellant genoten inkomsten in aanmerking te nemen door, overeenkomstig de wens van appellant om zijn inkomsten aan meer maanden toe te rekenen, die inkomsten te middelen over een periode van 26 weken, hetgeen heeft geleid tot een herroeping van de korting. Uit het in het kader van die heroverweging opgestelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige M.P.M. Jacobi-Verstegen van 23 augustus 2006 blijkt dat deze berekeningswijze is gehanteerd om de sterk wisselende verdiensten van appellant op een redelijke wijze te kunnen vergelijken met het maatmaninkomen. Nadien is deze berekeningswijze toegepast over de periode van 29 mei 2006 tot en met 26 november 2006 en de periode van 27 november 2006 tot en met 27 mei 2007, hetgeen niet heeft geleid tot korting van de uitkering. De Raad is in dit specifieke geval van oordeel dat het Uwv redelijkerwijze de vermelde berekeningswijze mocht toepassen met betrekking tot de in het bestreden besluit bedoelde periode. Met name is van belang dat appellant wist dat het Uwv zijn inkomsten zou middelen over een periode van 26 weken. Deze wijze van vaststellen van de door appellant genoten inkomsten uit arbeid is sedert het besluit op bezwaar van 24 augustus 2006 op consistente wijze door het Uwv toegepast en daartegen is niet geageerd door appellant. In de feitelijke situatie van appellant zijn niet zodanig relevante wijzigingen gekomen, dat het Uwv daarin aanleiding had behoren te zien om een andere methode voor het vaststellen van appellants inkomsten uit arbeid te hanteren. De Raad is voorts evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering heeft teruggevorderd en dat niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ook in zoverre moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl