CRvB 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4439

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over 2007, te weten een bedrag van € 70,50 per maand. Artikel 1:447, eerste lid, van het BW bepaalt dat de bewindvoerder 5% van de netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen toekomt, tenzij de beloning bij de instelling van het bewind anders is geregeld. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven. De Raad stelt voorop dat, mede gezien het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1988, LJN AC3978, de betaling van (een) bijstandsuitkering niet is aan te merken als netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, van het BW. De Raad stelt voorts vast dat in de beschikking tot onderbewindstelling van 30 mei 1997 geen (afwijkende) regeling ter zake van de beloning van de bewindvoerder is opgenomen. De Raad deelt niet het oordeel van de rechtbank dat de GSBB haar aanspraak op beloning voor haar inspanningen als bewindvoerder rechtstreeks aan de Aanbevelingen ontleent. Zoals ook uit de inleiding van de Aanbevelingen volgt, strekken de aanbevelingen in alle kantonsectoren van het land tot uitgangspunt waarvan in bijzondere gevallen kan worden afgeweken. Dit brengt mee dat een kantonrechter, in het geval hij ambtshalve dan wel op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende oordeelt over de vraag of er grond is de beloning anders te regelen als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, tweede volzin, van het BW, de in de Aanbevelingen vastgestelde forfaitaire jaarlijkse beloningen als uitgangspunt neemt. De Raad stelt vast dat de GSBB op 8 november 2006 de kantonrechter van de rechtbank Arnhem heeft verzocht de tarieven inzake de beheersvergoeding voor het jaar 2007 goed te keuren. Daarbij is aangegeven dat de tarieven vallen binnen de normen van de Aanbevelingen van het LOK. Op 15 november 2006 heeft de kantonrechter van de rechtbank Arnhem de verzochte goedkeuring verleend. De Raad is van oordeel dat deze goedkeuring van de tarieven van de GSBB dient te worden aangemerkt als het anders regelen van de beloning als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, tweede volzin, van het BW. Dat de goedkeuring ziet op alle cliënten van de GSBB en niet op een individuele cliënt (zoals betrokkene), maakt dit niet anders. Het voorgaande brengt mee dat de GSBB ten tijde van belang jegens betrokkene aanspraak op beloning voor de bewindvoering kon maken. Gelet op de onderbewindstelling zijn de kosten van deze beloning noodzakelijk en vloeien deze voort uit de bijzondere individuele omstandigheden van betrokkene. Dit laat onverlet dat bij twijfel door het bestuursorgaan een onderzoek kan worden ingesteld om te verifiëren of de met de bewindvoering betrokken werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt. In het onderhavige geval is er echter geen reden om aan te nemen dat die werkzaamheden niet zijn verricht of die kosten niet zijn gemaakt. De Raad merkt in dit verband op dat de gemachtigde van appellant desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat toekenning van bijzondere bijstand zou zijn gevolgd, indien de GSBB specifiek voor betrokkene om goedkeuring van het gehanteerde tarief had verzocht en de kantonrechter deze goedkeuring had verleend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat de kosten waarvoor betrokkene bijzondere bijstand heeft gevraagd in het onderhavige geval kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen