CRvB 14 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2740
Ontslag. Strafrechtelijke veroordeling wegens het bezit van harddrugs. De ontslagbepaling in art. 121, lid 1, aanhef en onder e, Bard en de daarin vervatte discretionaire bevoegdheid brengt mee dat een veroordeling als daar bedoeld niet zonder meer tot een ontslag met toepassing van die bepaling dient te leiden, maar dat het bestuursorgaan zich per geval en op basis van de daarin relevante feiten en omstandigheden dient te beraden en te beslissen over een dergelijk ontslag. Daarbij dient een afweging van de wederzijdse belangen plaats te vinden. De Raad stelt vast dat die vereiste belangenafweging niet tot uitdrukking is gebracht in het bestreden besluit en kennelijk niet heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit voor zover dat is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bard, wordt vernietigd. Het ontslag blijft in stand op de subsidiaire grond, te weten strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim.
De uitspraak op rechtspraak.nl