CRvB 14 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2668
Oplegging verplichting van tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, op de grond dat appellant niet gehandhaafd kon worden in zijn (gecombineerde) functie. Ingevolge artikel 15:1:10, tweede lid, aanhef en onder a, van de CAR / UWO kan het college een ambtenaar verplichten tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten indien het college dit in het dienstbelang nodig acht. De Raad kan de opvatting van het college dat het in het belang van de dienst nodig was een andere functie te zoeken voor appellant en hem tijdelijk te belasten met andere werkzaamheden, niet onhoudbaar achten. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 3 december 2009, LJN BK7331 en TAR 2010, 51) kan in het algemeen niet snel gezegd worden dat tijdelijk opgedragen werkzaamheden niet-passend zijn. De Raad is niet tot de conclusie gekomen dat daarover in dit geval anders moet worden geoordeeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl