CRvB 13 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1558
Weigering WW-uitkering toe te kennen. Geen sprake van verwijtbare werkloosheid. De Raad is van oordeel dat het Uwv en de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat aan de werkloosheid van appellante een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. Dat leidt tot de conclusie dat van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW geen sprake is. De Raad wijst er voorts op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 8 oktober 2004, LJN AO9549 (Vixia/Gerrits) de opvatting heeft onderschreven dat de enkele weigering van een werknemer de door de werkgever vastgestelde redelijke voorschriften omtrent controle bij ziekte na te leven niet een dringende reden oplevert in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het BW, doch dat daarvan bij de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden wel sprake kan zijn. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om aan het niet naleven van controlevoorschriften als bedoeld in artikel 7:629, zesde lid, van het BW slechts de in die bepaling opgenomen sanctie te verbinden van opschorting van de loonbetalingsverplichting.
De uitspraak op rechtspraak.nl