CRvB 30 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0372
Verlening ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant, door op grond van hem in de privésfeer bekend geworden gegevens - zonder enig overleg met zijn leidinggevende - strafrechtelijk onderzoek te verrichten ten aanzien van een persoon uit zijn naaste omgeving, het belang van professionele distantie op enig moment geheel uit het oog heeft verloren. Appellant heeft ook naar het oordeel van de Raad de grenzen van het toelaatbare overschreden door op eigen initiatief en in persoon de vriend van zijn dochter te observeren en te bekeuren. Appellant heeft minst genomen de indruk kunnen doen ontstaan dat hij mede vanuit persoonlijke motieven heeft gehandeld. Toereikend is onderbouwd dat appellant ongeschikt was voor zijn functie van medewerker verkeerssurveillant. Van een ambtenaar die een dergelijke functie bekleedt mag immers worden verwacht dat hij bij de uitoefening daarvan professionele afstand bewaart. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat gelet op voornoemde feiten en omstandigheden een verbeterkans niet zinvol was, omdat bij appellant de grondhouding ontbreekt om de functie op de gewenste wijze te vervullen.
De uitspraak op rechtspraak.nl