CRvB 4 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6287
Weigering ZW-uitkering toe te kennen, op de grond dat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet verzekerd was ingevolge de ZW. Geen sprake van een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat ook in het kader van de toepassing van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten doorslaggevend derogerend gewicht moet worden toegekend aan de speciale, nauw omschreven dwingende bepalingen voor de totstandkoming van de specifieke arbeidsrelatie van de schepeling in het WvK (CRvB 19 juli 2001, LJN AB3241). Het beroep dat appellant heeft gedaan op het in rechtsoverweging 3 genoemd arrest en dat kort samengevat hierop neerkomt dat het Uwv zich niet mag beroepen op de afwezigheid van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, omdat het in artikel 398 van het WvK opgenomen vormvoorschrift niet strekt tot bescherming van een niet bij de arbeidsovereenkomst betrokken partij, kan naar het oordeel van de Raad geen doel treffen. Het Uwv dient bij de uitoefening van zijn wettelijke taak, namelijk de uitvoering, voor zover aan hem opgedragen, van de sociale werknemersverzekeringswetten acht te slaan op alle relevante voorschriften, waaronder ook artikel 398 van het WvK. In zoverre is de positie van het Uwv niet op één lijn te stellen met die van de derde waarop het arrest van de Hoge Raad betrekking had.
De uitspraak op rechtspraak.nl