CRvB 29 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN4201
De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel, dat er een gebruikelijke wijze van verrekenen van een ontslagvergoeding bestaat, inhoudend dat het bedrag van een ontslagvergoeding gelijkelijk wordt verrekend over de gehele resterende wachtgeldperiode. Dat mogelijkerwijs een uitvoerder van een andere wachtgeldregeling, zoals door betrokkene gesteld, ontslagvergoedingen over de gehele resterende wachtgeldperiode in mindering zou brengen, is geen grond om een gebruik aanwezig te achten waaraan appellant gebonden zou zijn. De Raad is voorts van oordeel dat de motivering van appellant voor zijn keuze van een tijdvak van 30 maanden draagkrachtig is en blijk geeft van een evenwichtige afweging van belangen. Appellant heeft in beschouwing genomen dat het ontslag van betrokkene bij de gemeente B geen aanspraak geeft op (bovenwettelijke) werkloosheidsuitkeringen en dat de gemeente B daarmee gevrijwaard is van de betaling van de kosten van die uitkeringen. Onder die omstandigheden kan de Raad het niet onredelijk achten dat appellant de ontslagvergoeding aanmerkt als een bedrag dat ten behoeve van betrokkene geldt als een substituut voor die (bovenwettelijke) werkloosheidsuitkeringen. Geen strijd met een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl