CRvB 27 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3299

Afwijzing aanvraag om een Anw-uitkering op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert, terwijl er geen sprake is van verzorging van een hulpbehoevende. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat in het geval van appellante aan het criterium van wederzijdse verzorging is voldaan. Evenals de rechtbank kent de Raad zwaarwegende betekenis toe aan het op 20 maart 2007 door appellante ingevulde onderzoeksformulier, waarop diverse elementen van over en weer verleende zorg zijn aangekruist. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb het bezwaarschrift van appellante terecht niet tevens heeft aangemerkt als een verzoek om herziening nu de gemachtigde van appellante, zoals ter zitting van de Raad is bevestigd, eerst in beroep hierom heeft verzocht. Het standpunt van appellante dat aan haar alsnog een nabestaandenuitkering op grond van de Anw dient te worden toegekend omdat binnen zes maanden na het overlijden van haar echtgenoot aan [naam broer] een pensioen ingevolge de AOW naar de norm voor een alleenstaande is toegekend, slaagt naar het oordeel van de Raad reeds daarom niet omdat appellante daarvoor geen aanvraag heeft gedaan. Bovendien is niet voldaan aan het uit artikel 14, vierde lid, in samenhang met artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Anw volgende vereiste dat er geen sprake meer is van een gezamenlijk hoofdverblijf. Daarnaast ziet de onderhavige aanvraag op de situatie in februari 2007 en heeft de beoordeling van de aanvraag van [naam broer] betrekking op een later moment.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen