CRvB 20 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2722

Het feit dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor het gesprek op 7 mei 2007 kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Evenmin is sprake van ‘het niet herstellen van een verzuim’ als bedoeld in artikel 54, vierde lid, van de WWB toen appellant niet kwam opdagen voor het gesprek op 14 mei 2007 waarvoor hij bij de brief van 7 mei 2007 was opgeroepen. De Raad volgt het College evenmin in zijn standpunt dat het recht op bijstand van appellanten niet langer kon worden vastgesteld doordat appellant geen gehoor gaf aan de oproepen voor de gesprekken op 7 mei 2007 en 14 mei 2007. Het niet verschijnen van appellant had immers enkel tot gevolg dat het onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling op die data geen doorgang kon vinden. Naar het oordeel van de Raad dient de gedraging van appellant te worden gekwalificeerd als een gedraging als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder b, van de Verordening. De Raad acht in dit verband van belang dat appellant ten tijde hier van belang geen werk verrichtte als bedoeld in artikel 4 onder c, d of e, van de Verordening. Evenmin is gebleken dat hij behoorde tot de in de toelichting op de Verordening genoemde doelgroepen van sociale activering (mensen met sociaal maatschappelijke of psychische problemen). Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat ten aanzien van appellant nog geen traject gericht op arbeidsinschakeling liep en dat het de bedoeling was hem te activeren. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen