CRvB 29 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9799
Van een schuld in de zin van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB is geen sprake, nu het hier gaat om een aanvraag om bijzondere bijstand voor nog te betalen (voorschotten op) salaris voor de bewindvoerder. De Raad volgt het College niet in zijn standpunt dat verlening van bijzondere bijstand hier afstuit op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Naar het oordeel van de Raad kan hooguit worden afgeleid dat voor de bewindvoerder de nodige voorzieningen zijn getroffen met het oog op diens inkomen uit hoofde van de hier aan de orde zijnde werkzaamheden, maar dat betekent niet tevens dat daarmee voor de belanghebbende (in dit geval de schuldenaar) een toereikende en passende voorziening voor deze kosten voorhanden is. De belanghebbende moet immers uit zijn inkomen boven de beslagvrije voet dan wel boven het hogere vastgestelde vrij te laten bedrag het (voorschot op het) salaris van de bewindvoerder betalen. Geen beroep op de Recofa-richtlijnen. De kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd kunnen niet worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl