CRvB 15 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8077
Toekenning bijstand ingaande 19 juli 2007. In het ten tijde in geding van toepassing zijnde artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI is bepaald dat bij de melding, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB door de CWI of het college met de belanghebbende een afspraak wordt gemaakt voor een gesprek waarin de aanvraag in ontvangst wordt genomen. Door de CWI onderscheidenlijk het college wordt bevorderd dat het gesprek op een zo kort mogelijke termijn na de melding plaatsheeft. In de toelichting op dit artikel is vermeld dat CWI of - in sommige gevallen - de gemeente bij de melding met de belanghebbende een afspraak maakt waarin de aanvraag in ontvangst wordt genomen om elke onduidelijkheid over het moment waarop de bijstandsuitkering wordt aangevraagd weg te nemen. Tussen partijen is niet in geding en ook voor de Raad staat vast dat appellant zich op 5 juni 2007 bij de CWI heeft gemeld voor het aanvragen van een uitkering op grond van de WWB. Appellant heeft zich - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 december 2008, LJN BG7980 - op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI moet leiden tot het hanteren van 5 juni 2007 als ingangsdatum van de uitkering. Deze grond slaagt niet. Anders dan in de aangehaalde uitspraak wordt immers door het College en de rechtbank de datum van de eerste melding als uitgangspunt van beoordeling aangehouden. Voorts is de Raad van oordeel dat op grond van hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding is te zien om te oordelen dat appellant van de late indiening van zijn aanvraagformulier geen verwijt kan worden gemaakt
De uitspraak op rechtspraak.nl