CRvB 15 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8024

Intrekking terugvordering bijstand, terugvordering langdurigheidstoeslag en terugvorderingbijzondere bijstand voor woninginrichting allen over bepaalde perioden. Gezamenlijke huishouding. Gelet op de uit het huwelijk van [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] geboren kinderen dient voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in de periode hier in geding op grond van genoemd onweerlegbaar rechtsvermoeden vast komen te staan dat [betrokkene 2] zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van [betrokkene 1]. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2009, LJN BH2580, neemt de Raad hierbij in aanmerking dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing is ongeacht de leeftijd van de (uit de relatie) geboren kinderen. Dit betekent dat bij de beoordeling van de gezamenlijke huishouding over de hier aan de orde zijnde periode geen betekenis toekomt aan de leeftijd van het jongste kind van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedurende deze periode. Anders dan appellant, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de gehoorde buurtbewoners onvoldoende concrete feiten en omstandigheden bevatten voor de conclusie dat [betrokkene 2] zijn hoofdverblijf in de woning van [betrokkene 1] heeft gehad. Deze verklaringen zijn niet eenduidig . De intrekking van de bijstand van [betrokkene 1] over de periode van 1 juli 1997 tot en met 7 april 2004 berust niet op een deugdelijke motivering. Hetgeen derhalve tevens geldt voor de terugvordering en medeterugvordering van de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand. Daaruit vloeit voort dat de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 2 juni 2008 terecht gegrond heeft verklaard en die besluiten terecht wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vernietigd. De Raad is evenwel van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij is bepaald dat appellant nieuwe besluiten neemt op het bezwaar tegen de drie besluiten van 1 november 2006. Naar het oordeel van de Raad valt uit te sluiten dat nader onderzoek naar de situatie van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de hiervoor genoemde periode zodanige resultaten zal opleveren dat appellant de gestelde gezamenlijke huishouding alsnog voldoende draagkrachtig kan motiveren. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de drie primaire besluiten van 1 november 2006 te herroepen. Aangezien de herroeping van de besluiten van 11 november 2006 geschiedt wegens aan appellant te wijten onrechtmatigheid, zal de Raad appellant veroordelen in de kosten die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in verband met de behandeling van hun bezwaren hebben moeten maken. Deze kosten worden voor elk van hen begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.288,--.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen