CRvB 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5530
Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant is bij de vaststelling van het vermogen van betrokkenen terecht uitgegaan van de nog beschikbare ruimte voor vermogensaanwas zoals deze laatstelijk op 1 augustus 2005 was bepaald, te weten € 10.210,-- en per 19 mei 2006 € 10.360,--. Door de kwijtschelding van schulden en de omzetting van de Bbz-lening in een bedrag om niet is, aldus appellant, het vermogen van betrokkenen toegenomen en is de geldende vermogensgrens overschreden, waardoor betrokkenen geen recht meer hadden op bijstand. Daarbij is naar het oordeel van de Raad niet relevant of, zoals betrokkenen stellen, bij de vermogensvaststelling ten onrechte rekening is gehouden met het bezit van een auto en ten onrechte geen rekening is gehouden met schulden, omdat het aanvangsvermogen toch al negatief was. Indien met een en ander geen/wel rekening zou zijn gehouden, zou het aanvangsvermogen nog meer negatief zijn en zou de ruimte voor vermogensaanwas ook zijn bepaald op € 10.210,--.