CRvB 23 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1313
Bevoegdheid. De Raad constateert dat het kwijtscheldingsbeleid niet voorziet in de mogelijkheid om van (verdere) invordering af te zien om redenen gelegen in de persoon van betrokkene en/of de omstandigheden waarin hij of zij verkeert. Vorderingen worden immers uitsluitend buiten invordering gesteld, indien dit vanuit bestuurlijk oogpunt efficiënt of wenselijk is. De Raad moet dan ook vaststellen dat, nu slechts in het belang van het College tot kwijtschelding kan worden overgegaan, het door het College ten tijde hier van belang gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet berust op een belangenafweging in abstracto, waarin de belangen van de debiteuren, zoals appellante, zijn meegewogen. Naar het oordeel van de Raad gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten.
De uitspraak op rechtspraak.nl