CRvB 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9748

De Raad stelt vast dat het Uwv aan appellante over 1998 en 1999 boetes heeft opgelegd van 100% (gebaseerd op het standpunt dat sprake is van een eerste verzuim en ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude), en over 2000 van 37,5% (gebaseerd op het standpunt dat sprake is van een eerste vergrijp en fraude). De Raad is van oordeel dat, anders dan appellante heeft betoogd, bij haar in ieder geval sprake is van opzet en/of grove schuld. Met betrekking tot de boetes over het jaar 1998 en 1999 overweegt de Raad dat nog niet vast staat naar welke bedragen premies hadden moeten worden nageheven, evenmin vaststaat of er nog wel gesproken kan worden van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude in de zin van het Besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet (Stcrt. 1987, 252, hierna: ABC-besluit) en het Besluit toepassing Administratieve Boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stcrt. 1998, 123). De Raad is van oordeel dat de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat appellante ten onrechte bij haar bedrijfsvoering de verantwoorde lonen stelselmatig bewust laag heeft gehouden. Mede gelet hierop is de Raad met betrekking tot de boete over het jaar 2000 van oordeel dat er voldoende grond was voor het Uwv het nalaten van het doen van juiste en volledige loonopgave op grond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van het Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stcrt. 2000, 221) te kwalificeren als fraude en (na verhoging met 50%) een boete op te leggen van 37,5%. Overschrijding redelijke termijn. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen