CRvB 30 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9744
Langdurigheidstoeslag. De bruto-uitkering ingevolge de WAJONG van appellante bedroeg 75% van het minimumloon. Aangezien appellante in de referteperiode geen ander (...) inkomen heeft ontvangen, was zij aangewezen op een inkomen op minimum niveau. Gelet op de bedoeling van de wetgever vormt de hoogte van het inkomen van appellante in de referteperiode dan ook geen beletsel voor toekenning van de langdurigheidstoeslag. Dat het netto-inkomen van appellante in bepaalde maanden binnen de referteperiode - kennelijk uitsluitend als gevolg van belastingheffing en/of vakantietoeslag - enkele eurocenten of enkele euro’s hoger uitviel dan de in die periode voor appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met de toeslag, leidt niet tot een ander oordeel. Wettelijke rente.
De uitspraak op rechtspraak.nl