CRvB 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9742
Vaststelling ingangsdatum eervol ontslag. Vanaf de financiële afwikkeling in 2001 van de herroeping van de stopzetting van de bezoldiging en het ontslag tot aan het ontslag per 1 april 2006 is appellante nagenoeg ongestoord en zonder werkzaamheden te hoeven verrichten in het genot van haar bezoldiging gebleven. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden voor de wens van appellante om in die jaren bij het college of met hulp van het college elders weer aan het werk te gaan. De Raad wijst in dat verband ook op de reacties van appellantes gemachtigde in 2004 op een initiatief tot werkhervatting van de gemachtigde van het college. Ook van door appellante gestelde onzekerheid en spanningen in die jaren is de Raad niet gebleken. Gelet ook op het feit dat appellante in wezen een ontslag met een enige jaren vroegere ingangsdatum had gewenst, kan de Raad niet anders oordelen dan dat de vele jaren genoten bezoldiging in samenhang met het positieve effect van het voortbestaan van de aanstelling op de duur van de aanspraak op werkloosheidsuitkering niet ten onrechte medebepalend is geweest voor het oordeel van de rechtbank dat aanvullende vergoedingen niet geboden waren.
De uitspraak op rechtspraak.nl