CRvB 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9549

Bij besluit van 17 februari 2006 is appellant meegedeeld dat zijn tijdelijk dienstverband tot 27 maart 2006 wordt verlengd en met ingang van die datum wordt beëindigd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 5 juni 2003, LJN AH9041 en TAR 2003, 171) vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht, zoals, in dit geval, het vertrouwensbeginsel. De Raad acht terecht geconcludeerd dat geen sprake is geweest van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen waarop in rechte te honoreren verwachtingen konden worden gebaseerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl