CRvB 18 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL5520

Toekenning ZW-uitkering toegekend. Bij de bepaling van de hoogte van deze uitkering is appellant uitgegaan van een dagloon van € 48,51. Hangende dat beroep heeft appellant op 13 oktober 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het dagloon van betrokkene is vastgesteld op € 66,04. Nu betrokkene niet in hoger beroep is gekomen tegen de aangevallen uitspraak, gaat de Raad voorbij aan de door betrokkene tegen die uitspraak ingebrachte grieven. Tussen partijen is niet in geschil dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon in dit geval loopt van 27 februari 2005 tot en met 26 februari 2006. In de referteperiode heeft betrokkene volgens de opgaven van de werkgevers een loon genoten van in totaal € 17.236,49. In dat bedrag is begrepen een door werkgever 1 in het refertejaar uitbetaald bedrag aan vakantiebijslag en een door werkgever 2 in het refertejaar uitbetaalde eindejaarsuitkering. Op basis van dat bedrag is het dagloon berekend. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat tevens in aanmerking had moeten worden genomen een na afloop van de referteperiode door werkgever 2 aan hem uitbetaald bedrag van € 1.305,42 wegens een in de referteperiode opgebouwd recht op vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. Appellant heeft op de situatie van betrokkene de overgangsbepaling van artikel 24, tweede lid, van het Besluit van toepassing geacht, op de grond dat het refertejaar geheel is gelegen vóór 1 januari 2007 en betrokkene in dat jaar loon heeft genoten waarin vakantiebijslag en eindejaarsuitkering is begrepen. De Raad kan zich met deze overwegingen in grote lijnen verenigen, althans voor zover het de vakantiebijslag betreft. Aan de overgangsregeling wordt immers in zoverre voldaan dat in het refertejaar door werkgever 2 aan betrokkene (wel) een eindejaarsuitkering is uitbetaald. Voor de Raad weegt in dit geval zwaar dat wat het loon bij werkgever 2 betreft in het geheel geen rekening wordt gehouden met vakantiebijslag. Er is immers door deze werkgever in het refertejaar geen vakantiebijslag uitbetaald, zodat het vakantiegeld langs die weg niet kan worden meegenomen bij de berekening van het dagloon, en er wordt ook geen rekening gehouden met het opgebouwde recht op vakantiebijslag over het bij die werkgever betaalde loon. De Raad is van oordeel dat de door appellant gevolgde uitleg van artikel 24, tweede lid, van het Besluit daardoor in dit geval te grofmazig is. Hetgeen appellant op bladzijde 3 van het aanvullend hoger beroepschrift nog naar voren heeft gebracht onder het kopje De verwerking van vakantietoeslag en extra periodiek loon brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Daaruit kan niet veel meer of anders worden afgeleid dan dat ook de regelgever ervan uitgaat dat in ieder geval op de een of andere wijze bij de berekening van het dagloon rekening moet worden gehouden met de component vakantiebijslag. Dat heeft ook voor de overgangsfase te gelden. Het feit dat betrokkene bij werkgever 1 vakantiebijslag heeft ontvangen rechtvaardigt niet dat vakantiebijslag bij werkgever 2 bij de vaststelling van het dagloon geheel buiten beschouwing blijft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen